
Filantropie als wetenschap
Tijd voor een status als academische discipline?
- Filantropie
- Interview
Filantropie, juist nu maatschappelijk onmisbaar, is politiek te weinig zichtbaar. Hoogleraar Theo Schuyt houdt in een nieuw boek een vurig pleidooi voor filantropie als academische discipline. Zijn betoog is koren op de molen voor de middenpartijen in een land dat tobt met polarisatie, parlementaire kracht die verkruimelt en een regering die hunkert naar daadkracht.
Het gesprek vindt plaats aan de Vrije Universiteit in Amsterdam Buitenveldert. Schuyt zette in de afgelopen decennia de filantropische studies in Nederland op de kaart. Bij deze founding father is van ambtsrust nog weinig te merken. Voordat hij onze vragen beantwoordt, krijgen we een minicollege over nut en noodzaak van filantropie als academische discipline. De strekking daarvan luidt aldus:
Schuyt was vier jaar bestuurslid van de International Society for Third-Sector Research. Een paar jaar terug reisde hij in die hoedanigheid naar een congres van deze vereniging in Bangkok. Wetenschappers uit Australië, Nieuw-Zeeland, de Filippijnen en Thailand kwamen met deze constatering: wat is die filantropie toch een door de Verenigde Staten gedomineerde zaak. Dat was voor Schuyt één aanleiding om zijn nieuwste boek te schrijven.
COVID 19
Een andere aanleiding was de COVID 19 pandemie. Alle landen ter wereld hadden daar mee te maken. Toen de markt en de marktinkomsten door lockdowns wegvielen, konden mensen in sommige landen op de overheid rekenen, in andere landen konden ze op familie terugvallen. En als de overheid en familie niet in staat waren hulp te bieden, dan restten filantropische organisaties. Om te leven, of in geval van Covid, om te overleven, kennen samenlevingen in algemene zin vier sociale systemen: overheid, markt, familie en filantropie.
Met zijn boek Philanthropology. The science of philanthropy wil hij een piketpaal slaan. En dat in een tijd waarin we overal in de wereld, ook in Europa, geconfronteerd worden met wat in goed Nederlands heet the shrinking space of the civil society. Voor Schuyt was dit een signaal hoe belangrijk die ruimte is. Kennelijk is het maatschappelijk middenveld essentieel voor een leefbare samenleving, aldus Schuyt.
Bedreiging
Daarmee zijn we beland bij de strijd om het algemeen belang. Schuyt refereert aan de Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties. Dit wetsvoorstel wil tegengaan dat ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties zorgen voor onwenselijke buitenlandse beïnvloeding. Als maatschappelijke betrokkenheid of gemeenschapszin zo’n bedreiging blijkt te zijn, dan moet je daar volgens Schuyt iets tegenover zetten.
Hij zette meteen een tweede stap: maak er een wetenschap van. Daarmee kun je de filantropie en het maatschappelijk initiatief helpen door te beschermen en het te ondersteunen. Hij laat in zijn boek zien dat filantropie in alle samenlevingen een systeem heeft, in elke samenleving in een andere vorm. Schuyt spreekt daarom in empirische zin van een sociaal arrangement. De theoretische stelling die hij poogt te onderbouwen luidt: gemeenschapszin vervult een maatschappelijke systeemfunctie.
Culturele antropologie
Zijn basis is cultureel-antropologisch: ‘filantropologie’ staat op de schouders van de culturele antropologie. De wetenschap dus die het sociale gedrag, de economische structuur en de religie van volken en bevolkingsgroepen bestudeert. Tot zover het minicollege van Schuyt. Of zijn ‘proclamatie’ goed ontvangen wordt en effect heeft, laat hij nog even in het midden. Het wachten is nu op de kritieken in de academische vakbladen.
Waarom kan dit boek geldigheid krijgen?
Schuyt: ‘Om deze vraag te beantwoorden moet je kijken naar de wetenschap andragologie. Dat is een specialisme binnen de sociale wetenschappen dat tot doel had de volwassen mens bij te staan in de ontwikkeling tot mondigheid, autonomie, humaniteit en verantwoordelijkheid. De andragologie heeft als zelfstandige wetenschap bestaan van 1963 tot 1978.'
'In 1965 nam de Nederlandse overheid de verantwoordelijkheid voor de deels nog particuliere armenzorg over in de Algemene bijstandswet. Het was de tijd dat ambtenaren moesten leren hoe je materieel en immaterieel armoede kon bestrijden. Dat gaf een enorme impuls aan de professionalisering, gevoed door een enorme investering in geld en aandacht voor deze hulpverlening van overheidswege. En dat gaf weer een boost aan de universiteiten die daar opleidingen voor creëerden. Je kunt zeggen dat de maatschappelijke onderbouw een wetenschappelijke bovenbouw creëerde.’
'Filantropologie' als bovenbouw?
‘Maatschappelijke organisaties, gemeenschapszin, is een issue dat door dictators wordt bestreden en door regimes in andere landen wordt verdedigd en dus zichtbaarheid krijgt. Dit maakt dat voor deze maatschappelijke onderbouw, deze pijler, een wetenschappelijke bovenbouw wenselijk is.'
Schuyt haalt ter illustratie Metusalem van stal. Rond 1980 ontdekte men dat ouder worden een probleem werd. Toen kwam de gerontologie, die het ouder worden bestudeert, en later de geriatrie, gericht op ouderen met meerdere aandoeningen tegelijk. En tegenwoordig heb je de geronto-psychiatrie die zich bezighoudt met aandoeningen die gepaard gaan met beperkingen van de geestelijke vermogens op hoge leeftijd. Uit urgente maatschappelijke vraagstukken ontstaat volgens Schuyt behoefte aan kennis, wetenschappelijke verdieping en onderzoek.’
Wat inspireerde u tot het schrijven van dit boek?
‘Een aantal redenen: de groeiende interesse voor filantropie bij het grote publiek wereldwijd; de multidisciplinaire wetenschappelijke benadering van het onderwerp resulterend in een confetticanon aan theorieën en theorietjes; de eenzijdige beeldvorming over filantropie door de dominantie van onderzoeksperspectieven uit het VK en de VS en tot slot het ontbreken van een passende universele theorie van het fenomeen filantropie.’
Versnippering vraagt om een heldere nomenclatuur?
‘Dit is mijn definitie: Filantropie is een universeel sociaal arrangement dat het kader vormt voor filantropisch gedrag, het geven en vrijwillig aanbieden (van geld, goederen, tijd en/of expertise) aan anderen (buiten iemands eigen familie) – de groep, de gemeenschap of de samenleving – en wel door individuen en organisaties (kerken, stichtingen, bedrijven, liefdadigheidsloterijen) met als voornaamste doel de belangen van die andere persoon of personen, groep, gemeenschap of samenleving te dienen.’
Hoe verder?
‘Het in een eigen taal zichtbaar maken van de eigen kracht om te komen tot een powerswitch. Dus als wij ons bezighouden met onderzoek naar geven in Nederland en naar burgerinitiatieven dan moet je laten zien: dit is het maatschappelijk middenveld. Ik zeg nu: ik ben hoogleraar geefgedrag en maatschappelijk initiatief. Dat laatste als koepelbegrip. Daar horen bij de filantropische organisaties, burgerinitiatieven, burgercollectieven en vrijwilligerswerk.’
‘Tijd voor een routekaart nu de piketpaal is geslagen. Nederland loopt in Europa voorop met het in kaart brengen van het maatschappelijk initiatief, we hebben daarmee goede exportartikelen. We brengen naast het onderzoek Geven in Nederland, via ERNOP, ook Geven in Europa uit. Nu is het zaak om naast het octet van Nederlandse hoogleraren Filantropie een aantal sleutelfiguren bij de KNAW, NWO en het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap voor dit idee te winnen.’
Tot slot
Schuyt benadrukt nogmaals dat het hoog nodig tijd wordt dat de filantropische beroepsgroep een eigen taal gaat spreken. De medische professie en de medische sector hebben een dergelijk proces van de lange adem eerder doorgemaakt. ‘Met het resultaat dat bloeddrukmeting door een Oezbeekse arts op eenzelfde manier wordt uitgevoerd als de meting door een arts uit Mozambique of Brazilië. Daarom heb ik geprobeerd een boek te schrijven voor alle werelddelen.'